Veel hoogbegaafde kinderen zijn vooral heel ongelukkig

Home / blog / Veel hoogbegaafde kinderen zijn vooral heel ongelukkig

Veel hoogbegaafde kinderen zijn vooral heel ongelukkig

Zo leuk is het niet om altijd de slimste te zijn. Pas op een speciale school voor gelijkgestemden komen hoogbegaafde kinderen tot hun recht.

Beeld Eddo Hartmann

Op de enige basisschool met louter hoogbegaafde kinderen in Nederland is het op deze woensdagmiddag rumoerig in de klas van juffrouw Irina. De twaalf kinderen, acht jongens en vier meisjes in groep 5/6 van Basisschool Kronenburgh in het Zuid-Hollandse Rijswijk, zijn uitgelaten. Ze mogen namelijk eindelijk hun uitvinding aan de klas presenteren. Cas Valentin, 8 jaar, groot en blond, heeft de rust niet om op zijn stoel te gaan zitten. Op zijn rug hangt zijn uitvinding, die bestaat uit twee lege cola-flessen waaruit reusachtige gele rietjes omhoog steken. Vragende blikken van zijn klasgenoten beantwoordt hij met een ingetogen glimlach.

In groep 4, toen Cas nog op een ‘gewone’ school zat, kwam hij erachter dat hij anders was dan de kinderen om hem heen. Dat werd bevestigd toen hij werd getest en hij een IQ bleek te hebben van boven de 140. Daarmee is hij officieel hoogbegaafd.

Cas is de enige niet. Basisschool Kronenburgh, bezig aan het tweede schooljaar, ging vorig jaar van start met 34 kinderen. Nu zijn dat er meer dan 120. ‘Het gaat uitstekend’, zegt initiatiefnemer en directeur Peter Jansen van Kronenburgh tevreden.

Naast deze school voor hoogbegaafden zijn er nog eens meer dan zeventig reguliere basisscholen waar aparte klassen zijn ingericht voor hoogbegaafde leerlingen. Dat aantal groeit gestaag, net als het aantal zogenoemde plusklassen waar slimmeriken extra leerstof krijgen. Jansen: ‘We voorzien duidelijk in een behoefte.’

Is dat zo? Worden onze kinderen alsmaar slimmer?

Aanpassingen

Hoogbegaafdheid is een relatief begrip, zegt Willem van Putten, vicevoorzitter van Vereniging Mensa, ‘gewoon een gezelligheidsclub voor hoogbegaafden’. Van Putten: ‘Iedereen die op een erkende intelligentietest scoort bij de hoogste 2 procent van de bevolking, is hoogbegaafd. Dat betekent, afhankelijk van welke test er wordt gebruikt, doorgaans een score van 130 of hoger. Die 2 procent is bepaald bij de oprichting van onze vereniging, kort na de oorlog, en dat houden we nog altijd aan.’

Onder meer omdat we met z’n allen steeds hoger opgeleid raken, moeten die IQ-tests voortdurend worden aangepast. Anders zijn straks veel meer mensen dan die 2 procent van de bevolking hoogbegaafd; elke tien jaar stijgt het IQ met 2 à 3 punten.

Ivo de Groot, 10 jaar, heeft pretoogjes en moeite met stilzitten. Ook om een flauw grapje glimlacht hij bereidwillig. Kort geleden is hij op Kronenburgh begonnen. Dit is al zijn derde basisschool. Op de eerste school kon hij het niet goed vinden met zijn klasgenoten. Na schooltijd werd hij geregeld opgewacht en tegen een boom gedrukt. Ivo kijkt naar het plafond en zegt: ‘Begrijp je wel’. In groep 3 ontdekte hij dat hij slimmer was dan de andere kinderen. ‘Ik kon al lezen, ik kon al rekenen.’ Vond hij het leuk om te lezen en te rekenen? ‘Jawel. Nou, eigenlijk niet.’ In ieder geval zei hij niks, niet tegen zijn juf, niet tegen zijn ouders. Waarom hij het voor zichzelf hield, is niet helemaal duidelijk.

Op de tweede basisschool ging het beter. Hij werd niet meer gepest. Er was wel een meisje in de klas dat soms zijn pen afpakte, maar daar haalde hij zijn schouders over op. Hij blonk niet uit. ‘Soms had ik voor topo een 10, soms had ik een 1.’ Topo is topografie. Waarom had hij soms een 1? ‘Dan had ik het niet geleerd, omdat het de vorige keer zo makkelijk was.’ Een diepe zucht, daarna: ‘Dat is zo saai.’

Andere wereld

‘Herkenbaar’, zegt Lisanne van Nijnatten, kinderpsycholoog en gespecialiseerd in hoogbegaafdheid. Zij schetst een treurig stemmende vicieuze cirkel: ‘Deze kinderen hebben het nodig te worden uitgedaagd in de klas, maar de leerkracht ziet dat in de regel niet. Daardoor gaan de kinderen ongewenst gedrag vertonen en onderpresteren. Met als gevolg dat de leerkracht ze nog lager inschat.’ Het is niet alleen de leerstof die het hoogbegaafde kind soms met weerzin vervult, het kleine, dagelijkse contact met de andere kinderen uit de klas leidt ook vaak tot problemen. Maud van Thiel is socioloog, psychotherapeut en wetenschappelijk onderzoeker. En hoogbegaafd. Van Thiel: ‘Het gevoel van verbondenheid ontbreekt. Als een hoogbegaafd kind een grapje maakt, wordt het vaak niet begrepen. En als hij wil afspreken met een ander kind, formuleert hij zijn verzoek soms zodanig dat de ander hem maar half begrijpt. Het hoogbegaafde kind leeft in een andere wereld, spreekt een andere taal en dat kan behoorlijk eenzaam zijn.’

Ivo is aan de beurt, op een maandagmiddag in de klas bij juffrouw Truus. De elf kinderen in deze groep 7/8 leren hoe ze elkaar een compliment moeten geven. De kinderen zitten op oranje krukken aan een ronde tafel, dicht tegen elkaar aan. De sfeer is lacherig. Ivo lacht mee, maar hij kijkt ook wat ongemakkelijk. Als het zijn beurt is om een compliment te geven, zegt hij tegen Pieter: ‘Ik vind het heel goed van je dat je niet zo vaak meer de klas uitgaat.’ Pieter kijkt verbaasd. Als alle kinderen aan de beurt zijn geweest, legt juf Truus uit dat het best moeilijk is om een compliment in ontvangst te nemen. ‘Wat je natuurlijk altijd kunt doen, is gewoon dankjewel zeggen’, zegt ze tot besluit.

Ivo de Groot, 10 jaar.Beeld Eddo Hartmann

IQ-test

Bij het volgende lesonderdeel hebben de meeste jongens hun aandacht er niet meer bij. Wie denkt dat een hoogbegaafde leerling blij is als hij in alle rust zich kan storten op de leerstof, heeft het mis. In eerste instantie besteden de kinderen nauwelijks aandacht aan wat de juf vertelt. Er is een geduldige reeks van waarschuwingen voor nodig – ‘Jongens, nu is het weer tijd om serieus te zijn!’ – voordat ze staken met hun potje binnenrugby of neurotisch tikken tegen de muur. Als de stilte weer over de klas is gedaald, valt het op dat bijna alle kinderen praten in mooie, meanderende zinnen. Willen ze iets, dan hebben ze argumenten paraat om hun betoog te ondersteunen. Als een klasgenoot van Ivo beweert dat wilskracht niks met de wil te maken heeft en daarom beter ‘moetkracht’ genoemd kan worden, springen hem de tranen in de ogen als hij door de juf wordt gecorrigeerd. En als er iets gemeens wordt gezegd, gaat dat op een bijzondere manier. ‘Anthony, iemand heeft hier je naam geschreven met een eliminatieteken.’ ‘O’, stelt Ivo Anthony meteen gerust, ‘zo’n teken zegt helemaal niks, hoor.’

Tijl Koenderink leeft van hoogbegaafdheid. Hij is auteur van drie boeken over hoogbegaafdheid, eigenaar van een onderwijsadviesbureau en van een opvanglocatie, Feniks Talent. De laatste is bestemd voor hoogbegaafde kinderen in Utrecht die in het reguliere onderwijs zijn vastgelopen. Onvermoeibaar reist hij daarnaast het land door om lezingen en trainingen te geven. Gevraagd naar de betekenis van de stijging van het aantal hoogbegaafde kinderen, zegt hij: ‘Ach, op zich is IQ niet zo belangrijk. Maar ja, het is meetbaar hè?’ Al bleek dat in zijn geval lastig, want als – doodongelukkige – jongen van 12 jaar scoorde Tijl Koenderink op een IQ-test hoger dan 145, terwijl hij als 26-jarige een schamele 128 liet noteren. Waarmee hij zich niet langer hoogbegaafd mag noemen, ‘want de laatste test is maatgevend.’

Koenderink: ‘De hoogte van het IQ zegt iets over de potentie van het denkvermogen. In de praktijk komt dat er niet altijd uit.’ Koenderink verwacht dat tussen nu en tien jaar het IQ niet langer als belangrijkste kenmerk van het hoogbegaafde kind zal gelden. ‘We moeten ernaartoe dat we de capaciteiten van kinderen gaan differentiëren. Nu gaat een IQ-test over het hele verhaal, dus taal, rekenen, alles, terwijl het natuurlijk best kan zijn dat een kind alleen hartstikke goed is, zeg maar hoogbegaafd, in rekenen en doorsnee in de rest.’

Trots

Cas is voor de klas gaan staan, samen met een vriendje dat hem voortdurend in de rede valt, wat Cas met een spijtige glimlach ondergaat. Toch ziet hij kans om te vertellen dat de uitvinding een colazuiger heet en is bedoeld voor wie zich in het verkeer begeeft en zich met een teug aan het rietje wil verzekeren van een dosis gezonde lucht.

In zijn ouderlijk huis in een nieuwbouwwijk in Den Hoorn kruipt Cas een paar dagen later op de schoot van zijn vader als hij praat over zijn hoogbegaafdheid. Soms lijkt hij zichtbaar opgelaten over zijn uitzonderingspositie. Cas is zelf ook de eerste om zijn hoge IQ te relativeren. Praten doet hij vooral in de vragende vorm. Of hij dat doet uit bescheidenheid of omdat hij ondertussen nadenkt over het gesprokene, is niet goed vast te stellen. Met zachte stem legt hij uit dat hij helemaal niet trots is op zijn intelligentie. ‘Waarom zou ik? Ik heb er toch niets voor hoeven doen, hoe kan ik er dan trots op zijn?’ Het levert hem een high five op van zijn moeder die wel trots is, en niet zo’n beetje ook.

Cas’ moeder: ‘Wat ik moeilijk vind is dat hij zulke verdrietige vragen stelt. Hij stelt vragen over IS, hij stelt vragen over de natuur, hij weet precies hoeveel hectaren bos er iedere dag verdwijnen. Dat zijn toch geen vragen voor een kind van 8 jaar?’ Cas glimlacht verontschuldigend en zegt: ‘ook over de kinderarbeid’.

‘Maar wat echt binnenkwam’, gaat zijn moeder verder, ‘is dat hij al in de eerste week dat hij naar Kronenburgh ging op een avond, we zaten hier aan tafel, tegen me zei: ‘Mama, ik dacht altijd dat ik raar was, maar dat is helemaal niet zo.’

Cas Valentin, 8 jaar.Beeld Eddo Hartmann

Aandacht

De vraag of onze kinderen steeds slimmer worden, is niet zo makkelijk te beantwoorden. De toename van onderwijsfaciliteiten voor slimme kinderen wil niet per se zeggen dat er ook meer intelligente kinderen zijn dan vroeger. Er zijn kinderen die naar speciale klassen voor hoogbegaafden gaan, er zijn kinderen die in het ‘gewone’ onderwijs gebruikmaken van de plusklas en tenslotte is er een niet onaanzienlijke groep kinderen die een klas overslaat. Schooldirecteur Jansen schudt zijn hoofd. ‘Dat is niet ideaal.’ Maar misschien toch beter dan zoals het – nog niet zo – lang geleden ging. Jansen: ‘Vroeger mocht de bolleboos de plantjes water geven, nu zetten we ze in een klas bij elkaar.’

Psychotherapeut Van Thiel heeft wel een verklaring voor de groeiende behoefte aan onderwijs voor hoogbegaafden. Op een toon van stijgende verontwaardiging: ‘Het peil van het onderwijs in Nederland is dramatisch. Het is geen wonder dat slimme kinderen zich sneller dan vroeger in de klas een ongeluk vervelen, ze vallen gewoon eerder op omdat het onderwijs geen enkel beroep meer doet op hun capaciteiten.’

Het blijft meestal niet bij vervelen alleen. Volgens psycholoog Van Nijnatten zijn het vooral jongens die in het basisonderwijs rebels gedrag gaan vertonen, terwijl meisjes meer ‘de neiging hebben zich te verstoppen. Ze halen liever een 7 dan een 10.’ Het zijn meisjes die ‘hun individualiteit inleveren om maar niet buiten de boot te vallen’.

Volgens Van Nijnatten is het ‘verstopgedrag’ van meisjes de reden dat hoogbegaafdheid eerder wordt erkend bij jongens dan bij meisjes. Jansen: ‘Een hoogbegaafd meisje trekt liever niet de aandacht, een hoogbegaafde jongen wel.’

Ouders

Hoe zit het met de rol die de ouders spelen? Zijn er steeds meer slimme kinderen, omdat zij moeten voldoen aan het – al te – hooggespannen verwachtingspatroon van hun ouders? Jansen kan het zich moeilijk voorstellen. Belangrijker volgens hem is de genetische overdracht van een hoog IQ. Vrijwel ieder hoogbegaafd kind heeft een vader of moeder die net zo hoogbegaafd is.

Ivo heeft inmiddels de nodige therapie achter de rug. Op zijn 6de ging hij geregeld huilend naar bed. ‘Het gekke was’, zegt zijn moeder Liesbet nu, ‘dat als we dan aan hem vroegen waarom hij zo ongelukkig was, hij iedere keer zei: ‘Oma moet weer leven.’

Niet lang daarvoor was inderdaad de oma van Ivo overleden, maar op het moment van haar overlijden leed zij al zeven jaar aan alzheimer. Van een volwaardig contact met haar kleinzoon was in feite nooit sprake geweest. Maar het huilen ging door, maandenlang. Uiteindelijk ging hij naar een rouwtherapeut. Liesbet: ‘Daar heeft hij anderhalf jaar gelopen.’ Pas in februari van dit jaar drong zijn juf erop aan dat hij werd getest en toen werd duidelijk dat Ivo een IQ heeft van 145. Of hoger – ‘zo’n test gaat gewoon niet verder’, aldus moeder Liesbet. ‘En toen viel alles op zijn plek. Ik was zo opgelucht.’

Tijl Koenderink spreekt liever niet meer over hoogbegaafden, maar over talenten of toptalenten. ‘We moeten intelligentie breder gaan zien. Steeds meer slimme kinderen, of ze nu wel of niet binnen die 2 procent slimsten van Nederland vallen, dagen ons uit om ze de ondersteuning te geven die ze nodig hebben. Want er zijn al hartstikke veel hoogbegaafde kinderen hartstikke ongelukkig geworden. Ik heb op mijn opvanglocatie in Utrecht kinderen die op het gymnasium gemiddeld een 8 halen en drie jaar later op het vmbo niet verder komen dan een 2. Deze kinderen vertonen alle symptomen van een posttraumatisch stresssyndroom. Ze hebben ontzettend veel potentie, maar kunnen het niet alleen.’

Michel de Groot, de vader van Ivo, kan zijn geluk niet op met Ivo’s overgang naar zijn nieuwe school. ‘Het lijkt wel of we in een andere wereld zijn terechtgekomen. Mag ik met een klein voorbeeld het verschil illustreren? Tot Ivo naar Kronenburgh ging, was het zijn droom later soldaat te worden. En weet je wat hij nu wil worden? Astronaut.’

Credits –

https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/veel-hoogbegaafde-kinderen-zijn-vooral-heel-ongelukkig~b641b830/

Recommended Posts
Contact Us

We're not around right now. But you can send us an email and we'll get back to you, asap.

Not readable? Change text. captcha txt